Surinaams Monument
Dsb tuin
De slavernij beon in de 17e eeuw, omstreeks 1621). Suriname was eerst een kolonie van Engeland. Op 31 juli 1667 is tijdens de vrede van Breda besloten dat Nederland Suriname mocht houden. Zoals bekend werden slaven verhandeld om op de verschillende plantages verspreidt in het land te werken. De slavenboten meerden aan bij het Waaggebouw waar ze werden geregistreerd. Na week werden ze gebracht naar een plek waar ze verhandeld werden. Daar konden de slavenmeesters een bod uitbrengen op verschillende slaven. De plek was natuurlijk dicht bij de rivier zodat de slavenhandelaren hun slaven gelijk mee konden nemen per boot.
In de eerste helft van de 19e eeuw woorden er slechts 51.000 mensen in Suriname. Het grootste deel van de bevolking bestond merendeels uit slaven die geen besteedbaar inkomen hadden. Van 1667 tot 1761 was suiker het wettig betaalmiddel in Suriname. In 1679 werd de eerste Surinaamse munt geslagen. Het werd de papegaaimunt genoemd omdat er een afbeelding was van een papegaai op een tak. (info: onderscheiding tusen een papegaai op een tak met 1, 2 of 4 bladeren. Pond suiker koste 10 cent daarvoor betaalde je met en papegaaimunt op 1 blad). Hierna kregen we de periode van het kaartengeld (1761-1827) (– de kaarten hadden een nominale waarde en moesten voorzien zijn van een stempel en handtekening van twee bevoegde ambtenaren )en daarna de periode van het Nederlands geldwezen (1827-1940). De Nederlandse munt was dus wettig betaalmiddel. Vanwege een geldschaarste in 1829 werd de uitgifte van geld overgenomen door de eerste bank in Suriname namelijk de Particuliere West Indische Bank. Deze werd opgericht op 9 maart 1829. De bank was gevestigd in het waaggebouw.
Vanwege een fundamentele fout, het verstrekken van hypotheek leningen aan plantage eigenaren, die vanwege een recessie de gelden niet terug konden betalen is deze bank in 1847 failliet gegaan. Hun schuld was zo groot dat ze het pas in 1870 volledig hadden afbetaald.
De situatie in Suriname veranderde toen 34.000 slaven op 1 juli 1863 hun vrijheid verkregen. De plantage-eigenaren kregen als compensatie 300 Surinaamse gulden per slaaf. Na hun vrijlating moesten de vrijgekomen slaven nog 10 jaar werken op de plantages tegen een vergoeding. Dit deed de vraag naar geldmiddelen sterk toenemen. De oprichting van DSB is grotendeels te danken aan de heer Simon Abendanon, en deurwaarder in Suriname. De heer Abendanon werd in zijn dagelijks leven geconfronteerd met een slechte economische toestand in Suriname en de gevolgen die het had voor de inwoners van dit land. Hij had tevens opgemerkt dat in buurland Demerara (thans Guyana) de economische situatie veel beter was, waarbij hij stellig van overtuigd was dat het te danken was aan het beter ontwikkelde bankwezen in dat land. Zijn idee voor het oprichten van een bank werd niet enthousiast ontvangen door het toenmalig koloniaal bestuur van de West Indische Company omdat er al een bank failliet was gegaan. Om hem te demotiveren stelde men al eis dat hij een sponsor moest zoeken en een totaal bedrag ad 1.000.0000 Surinaamse Gulden moest opbrengen. Die vond hij al snel in de persoon van de Nederlandse filantroop en entrepreneur de heer Simon Sarphati. De octrooi van oprichting werd op 19 mei 1864 door de toenmalige Gouverneur van Suriname, de heer Krommelin, geratificeerd. Het duurde tot 19 januari 1865 voordat het benodigd kapitaal, SF 1.000.000, bijeen was gebracht. De Surinaamsche Bank werd dus op 19 januari 1865 opgericht. Op 18 juli 1865 opende zij haar deuren vor het publiek in een huurhuis aan de Gravenstraat Lit. A no 17. Enkele maanden later verhuisden ze naar haar eigen gebouw aan de Gravestraat Lit. A. no 13 (thans Henck Arronstraat 26-30)
De tuin van DSB is met behulp van tuinlieden maar ook de liefde voor planten door echtgenoten van gewezen directeuren opgezet. Hel wat Surinaamse planten komen voor in de tuin. De bekende laan van de KING Palmbomen spreekt voor zich. Aan het einde van de 19e eeuw werd er goud gevonden in Suriname. De toenmalige Gouverneur Krommelin besliste dat alle goud dat gevonden werd aan de staat verkocht moest worden. Dat goud diende als dekking voor de Surinaamse munt. Aangezien DSB de enige bank was moest het goud hier worden opgeslagen. De ouderen onder u zullen nog weten dat onze munt heel sterk was. Om terug te komen op het goud; de goudzoekers die naar de stad kwamen met hun buit wilden het natuurlijk zo snel als mogelijk verkopen. De bank, stond zoals beslist was, open voor opkoop van het goud. Meestal was het gevonden goud nog vuil dus moest het eerst schoongewassen worden voordat het gesmolten kon worden. In die tijd waren er geen moderne methodes om het goud te wassen. Er liep indertijd een stroompje op het terrein, die inmiddels gedempt is. Die kwam uit bij een sluisje die in de sommelsdijckskreek komt. Nadat het goud gewogen was werd het verrekend. Maar niet alle goud werd verkocht aan de bank. U weet Surinamers zijn inventieve mensen. Zo ook de goudzoekers. Er waren goudzoekers die pauwen, ook wel powisi genoemd als huisdier hielden. Wat trekt een powisi aan? Goud! Ze lieten hun huisdier dus een deel van het goud slikken zodat ze he niet hoefden te verkopen aan de bank. Als het te laat werd om terug te keren naar de goudvelden konden de goudzoekers overnachten in pinahutten de op het terrein waren. Helaas zijn die er niet meer.
De vraag nu is wat deed de bank met al dat ruw goud? Er stond vroeger een brandoven op het terrein. Die is een aantal jaren terug afgebroken. In die oven werd het goud gesmolten in een mal staafvorm en wanneer het was afgekoeld werden de opgeslagen in de kluis van de bank. Er waren rekken voor staven goud. U vraagt zich af heeft niemand ooit gepoogd een staaf te stelen? Wel de ouderen waren echt innovatief. Weet u hoe de kluis eruit zag in de 19e eeuw? Behalve de ijzeren deur en twee bewakers aan elke zijde stonden er overal spiegels.
Van alle kanten kon men je gangen nagaan. En zo netjes als het goud bij de bank werd geleverd zo werd het ook op gezette tijden met veel bombarie (ophef) verscheept met de boot in een gepantserde kist naar een bank in New York. Het goud werd verscheept naar Wall Street wanneer Suriname internationale betalingen moest doen.
Doordat de bank groeide en het aantal medewerkers toe nam voldeed het oude gebouw niet meer aan de eisen. In opdracht van de toenmalige president-directeur de heer Vernooij, werd de architect Ir Nagel benaderd om een nieuw bank gebouw te ontwerpen. Het gebouw onderscheidt zich door de ovale gevel. Het gebouw werd op 25 april 1959 opgeleverd. Het huidig gebouw is achter het ode gebouw gebouwd. Het pleintje is de voorstoep van het eerste gebouwd. De opening werd gedaan door Dr. Jules Sedney de toenmalige Minister van Financiën.
Het DSB gebouw heeft naast de mooie gevel ook nog onopvallende details die niet uitspringen. Het dievenijzer bijvoorbeeld is vervaardigd door wijlen de kunstenaar Erwin de Vries. Het is een gestileerde menselijke figuur. Dat betekent een afbeelding in hoofdtrekken, in een vereenvoudigde maar karacteristieke vorm. Zij worden beschouwd als de bewakers van het gebouw. Daarnaast zijn in de glazenramen de toenmalige economische activiteiten van Suriname gegrafeerd; suikerriet, houtkap, bauxietwinning, rijst en citrus.
In 1938 had het Koloniaal bestuur reeds het plan opgevat om een centrale bank op te zetten. Daarmee konden ze meer greep krijgen op het monetaire beleid, de stabiliteit en de circulatie van de Surinaamse munt. De Surinaamsche Bank was toen de circulatie bank. Ze benoemden 2 commissies om advies uit te brengen over de noodzaak en praktische consequenties van het instellen va een dergelijk instituut U merkt dat de politieke invloeden hierin een grote vinger in de pap hadden. Op 1 april 1957 werd de Centrale Bank van Suriname opgericht.
Note: de meeste aandelen waren in handen van buitenlanders.
49% Assuria
10% overheid
41% Particulieren
Er is een decreet 2015/2016 waarbij gesteld wordt dat het maximaal percentage voor een bedrijf 20% is